Regelmatig komt het Kenniscentrum Vrijwilligersvervoer in contact met lokale autodeel-initiatieven. Dat roept een interessante vraag op: wat kunnen deze twee voor elkaar betekenen? Er zijn immers betrokken inwoners, beschikbare voertuigen, mensen die willen rijden en inwoners met een vervoersvraag. Toch zien we deze combinatie nog weinig in de praktijk. Waarom eigenlijk? En waar liggen kansen?

Het Kenniscentrum Vrijwilligersvervoer brengt voor gemeenten en provincies regelmatig het vrijwilligersvervoer in kaart. Daarbij onderzoeken we ook hoe informeel vervoer en initiatieven met voertuigen zich tot elkaar verhouden. Kennen zij elkaar? Vullen ze elkaar aan? Ook kijken we naar de rol van bewoners, organisaties en andere stakeholders in wijk, dorp of stad: wie investeert tijd en energie, en wie profiteert ervan?

In diverse gemeenten komen we ook autodeel-initiatieven van inwoners tegen. Het Nationaal Programma Natuurlijk! Deelmobiliteit onderscheidt diverse vormen (7) van autodelen, en ontwikkelde een toolkit voor gemeenten om bewoners(initiatieven) te ondersteunen die dit zelf willen organiseren. Kennisexpert Annaricht Hannema is verbonden aan het programma en noemt 2 vormen van deelmobiliteit met een sterke sociale component: onderling autodelen en georganiseerde bewonersgroepen (coöperatie, stichting of vereniging). Net als vrijwilligersvervoer draaien deze vormen om inwoners die lokaal iets organiseren voor hun omgeving, en zelf invulling geven aan de manier waarop ze dit met elkaar doen. Beide zijn afhankelijk van vrijwilligers. Daarnaast speelt duurzaamheid ook bij vervoersdiensten met vrijwilligers steeds vaker een belangrijke rol.  

Wat maakt de combinatie lastig?

Toch blijkt combineren niet eenvoudig. Bewonersinitiatieven vragen veel inzet en focus. Een initiatief start meestal vanuit één duidelijke doelstelling: óf vervoer organiseren voor inwoners die dat nodig hebben, óf voertuigen delen om autobezit te verminderen. Zodra een initiatief draait, is verbreding vaak lastig. Vrijwilligers voelen zich verbonden met de oorspronkelijke missie, en die verschilt per initiatief.

Ook praktisch zijn er uitdagingen. Financiering, organisatievorm, software en verzekeringen zijn ingericht op het oorspronkelijke doel. Als autodelen en vrijwilligersvervoer samenwerken, ontstaan vragen: wie is waarvoor verantwoordelijk? Past het binnen de verzekering? Welke software gebruik je? En hoe verdeel je kosten en opbrengsten?

Toch zien we ook kansen

Toch zien we ook inspirerende voorbeelden ontstaan. In Den Haag werd een bijeenkomst georganiseerd tussen autodeel-initiatieven en wijkbussen. Veel organisaties kenden elkaar nog niet, terwijl ze actief waren in verschillende wijken van dezelfde stad. Een concreet resultaat is dat inmiddels een bestuurslid actief is in beide netwerken, waardoor kennisuitwisseling en samenwerking kan groeien.

Ook in een uitgestrekte gemeente in het midden van het land is contact gelegd tussen initiatieven. Daar onderzoekt een welzijnsorganisatie samenwerking met een autodeelinitiatief in een klein dorp. De welzijnsorganisatie wil vrijwilligersvervoer uitbreiden naar meerdere kernen binnen de gemeente en wil dat graag samen met inwoners doen. Het autodeelinitiatief zoekt juist naar een betere benutting van de beschikbare voertuigen. Beide partijen zien samenwerking als een manier om middelen beter te benutten én meer te betekenen. 

De eerste voorbeelden laten zien dat de combinatie kansrijk kan zijn, maar ook vraagt om nieuwe afspraken, vertrouwen en een gedeelde ambitie. De komende tijd houden we onze ogen en oren open naar nieuwe vormen van samenwerking die echt werken — en wat daarvoor nodig is.

Foto: Vereniging Deelauto – vereniging voor onderling autodelen